Janneke Vorst is vogelaar. Ze organiseert lezingen en excursies over de vogels vanuit ’t Fûgelhûs in haar dorp Piaam en is de motor achter het vergroeningsplan Piaam. Populair gezegd fladdert haar interesse de laatste tijd van de vogels naar de vlinders. Voor die laatste groep zet ze zich in voor het behoud van de argusvlinder die vrijwel nergens meer voorkomt, maar nog wel in de omgeving van Piaam en aan de IJsselmeerkust.
Lid van verschillende organisaties, waaronder de Vlinderstichting, las Janneke Vorst over de argusvlinder. En daar bleef het niet bij, ze zag hem ook. Een unicum bijna, want de soort is de laatste jaren met 98 procent verminderd. “Toen ik hem zag vliegen dacht ik: ‘Wat een mazzel’. En ook: ‘Ik moet jou beschermen’. Het toeval wilde dat de Vlinderstichting een lezing over deze soort organiseerde. En waar denk je? Precies, hier in Piaam. Niet toevallig, want in het oosten van het land komt hij al niet meer voor. Maar wel nog hier aan de IJsselmeerkust en aan de Noordzeekust. Die wordt me zo in de schoot geworpen, daar moet ik wat mee. Van een rapport van zestig pagina’s hebben we twee A-viertjes gemaakt en daarmee proberen we mensen te vinden die mee willen helpen de argusvlinder te redden.”
Eigenlijk is dat zo moeilijk niet, meent Janneke. “De argusvlinder legt haar eitjes gewoon op gras, vaak in de buurt van een hek. Nou is er gras genoeg, alleen wat moet je dan niet doen? Maaien. Gewoon af en toe niet maaien en de wereld zal er al een stuk mooier uitzien.”
Uit de eitjes komen kleine rupsjes en die rupsjes overwinteren. Janneke: “Dat rupsje moet de hele winter doorkomen. De meeste vlinders die overwinteren als vlinder, hangen gewoon stilletjes in je schuurtje. En er zijn er die als pop overwinteren, maar de argusvlinder overwintert als rups. En dat is natuurlijk heel kwetsbaar. Dus als tussen augustus en begin mei iemand het in zijn hoofd haalt om te maaien, is het einde rups. En zonder rups geen vlinder. Dus gewoon iets minder maaien.”
Janneke werd geboren in Burgervlotbrug, een klein plaatsje in Noord-Holland. Bijna net zo groot als Piaam. “Vroeger gingen we wel wandelen met de boswachter. Als kind vond ik dat maar zozo eigenlijk. Maar blijkbaar is er toch iets van blijven hangen. Daarna eigenlijk een hele tijd niks tot rond mijn dertigste, tot het moment dat er een pimpelmeesje op mijn balkon neerstreek. Ik dacht: ‘Wat een leuk beestje is dat en wat ziet ie er mooi uit’. Ik ben lid geworden van een vogelwerkgroep en heb cursussen gedaan. Herkenningscursussen, op excursie met iemand die er veel van weet. Dat viel nog niet mee, met geluiden leren kennen en zo. Maar het is echt fantastisch want je denkt: ‘Hier zit niks of ik zie niks’. Dan zegt zo iemand: ‘Moet je horen, daar zit ie’. En dan plotseling, oh wow. Dan vallen de schellen van je ogen. Het is een hobby voor het leven geworden. En dat is het nog steeds.”
Janneke Vorst is de koning te rijk in Piaam. “Ik ben een geluksvogel dat ik hier in Piaam ben komen wonen. We wonen hier pas tweeëneenhalf jaar. We hebben gezocht naar een mooie plek met ruimte. Bij toeval kwamen we hier terecht. We zijn helemaal verliefd op deze plek. We zijn Fries gaan leren. Dit is een top vogelgebied, het kruispunt van de trekroute langs het IJsselmeer. En hoe toevallig wil je het hebben, er is hier in dit piepkleine dorp zelfs een vogelmuseum (’t Fûgelhûs – red.) met tweehonderd opgezette vogels. Helemaal geweldig. Tijdens een vergadering van Dorpsbelang heb ik gezegd dat ik het weer ging openen.” Na een jarenlange sluiting opende het vogelmuseum in januari 2024 opnieuw haar deuren dankzij Janneke Vorst.
“We hebben in het dorp twee gastenverblijven: Nynke’s Pleats en Piaam State. Gasten bezoeken soms het museum dat op verzoek geopend is in combinatie met een vogelexcursie. Nadat ik een vogelcursus in het museum heb gegeven ontstond er een leuke groep mensen. Met hen organiseer ik excursies naar het Rijsterbos, naar Wons, Elahuizen. Dus ik heb de mooie gebieden van Friesland én mooie mensen leren kennen. Eén keer in de maand gaan we eropuit. ‘Samen op stap’ noem ik dat. Het gaat niet alleen maar om kennis, maar ook om hoe je iets ervaart. Meestal zijn we met een groep van tien tot vijftien mensen. We hebben ook een keer de spreeuwenwolken in de avond bij Gaast gedaan. Vaak zoek ik er iemand bij die er wat meer van weet. En we hebben de ‘jubelvogel’ geïntroduceerd. Dat betekent eigenlijk: het momentje dat je iets moois hebt gezien. Dat mag een pimpelmees zijn, een reiger die bij jou op de schuur zit of een goudhaantje. Als het je maar raakt.”
In Amsterdam had Janneke een werkgroep onder de naam ‘Blije Vogels Westerpark’, omdat ze daar woonde. Met haar huidige woonplaats heet heet het nu ‘Blije Vogels Piaam’, met een website waar ze van alles op zet.
“De lol zit hem in het enthousiasmeren van mensen. Het overbrengen van iets moois. Dat ze in de verte iets zien, maar dat niet herkennen. Dan vertel ik dat het bijvoorbeeld een buizerd is, omdat die altijd op een paaltje zit. Of een grote bonte specht. Die vliegt zo”, zegt ze, terwijl ze haar arm in een golfbeweging op en neer beweegt. “Dat soort dingetjes. De lol is ook iets zien wat andere mensen niet zien. Een hele groep staartmeesjes. Van die grappige bolletjes met een lange staart. Dat is geweldig. Daar krijg ik een rijk leven door. Het zijn kleine dingen, maar daar gaat het wél om.”
We gaan van de vogels naar de vlinders. Natuurlijk koop je een vlinderstruik als je meer vlinders in je tuin wilt, want daar komen heel veel vlinders op af, maar Janneke heeft een missie.
“Een vlinderstruik is vooral voor de vlinders die zich tóch wel redden, niet voor de bijzondere soorten. Naast de vlinderstruik kun je denken aan de beemdkroon, ijzerhard, gevlekt longkruid maar ook lavendel in je tuin. Mijn missie is mensen vertellen dat als je je tuin maar een heel klein beetje verandert, de dieren vanzelf bij je in de tuin komen. Dat je er goede planten neerzet, inheems en het liefst ook biologisch. Voor vlinders heb je bloemen nodig waar ze nectar uit kunnen drinken. Als je naar het tuincentrum gaat en je koopt iets dat bloeit, denk je dat je het goed doet. Maar een insect heeft er vaak helemaal niks aan. Bovendien zit er gif op. En ze geven geen nectar.
Een geranium ziet er best mooi uit, maar er is geen insect die erop kan leven. Of een laurierhaag. Die is groenblijvend in de winter. Een beestje kan daar niets mee. Je kunt er dan net zo goed plastic neerzetten. Hier in het dorp hebben we allemaal heggen geplant, meidoorns en kornoelje. En de vuilboom. Daar komen heel veel vlinders op af. En dan gaat het niet om de vlinders eigenlijk, maar om de rupsen. Die kunnen daarop overleven.”
“Als je gif gebruikt in je tuin, omdat je je tegeltjes netjes wilt, dan maak je het dood. Je maakt álles dood. We hebben hier allemaal grasland omheen”, wijst ze naar buiten. “Dat is nu verpacht aan tulpboeren. Tot onze grote schrik was plotseling alles geel. Weet je wat dat betekent? Roundup. Gelukkig is de natuur veerkrachtig. Als er een stukje helemaal is vernacheld, maar dat twee jaar liefdevol beheert, heb je zo het leven weer terug.
En ruim wat minder op. Het hoeft niet allemaal zo netjes. Maak rommelhoekjes. Minder opruimen doet leven. Mensen bewust maken van hun omgeving. Het is bijna een obsessie geworden. Dat ze denken: waarom zou ik daar niet een boompje neerzetten? Of een struik? Of: waarom ben ik zo bezig met dat grasmaaien? Waarom moet dat eigenlijk? Als je er bewust mee bezig bent verrijkt het je leven.”
“Ik zou graag willen dat mensen van de natuur genieten, van de mooie dingen. Zich bewust worden van de natuur. En dat je maar met weinig moeite de natuur een beetje kunt helpen. Je hoeft niet ver weg om het te zien. Je hebt mensen die naar Costa Rica op vakantie gaan om de natuur te zien. Ik zeg: ga in je tuin zitten of in een parkje. Daar zie je dingen, die heb je nog nooit gezien. We hebben stokrozen bij ons in de tuin. In zaadjes die ik bewaarde zaten allemaal kevertjes. Iemand vertelde dat dit snuitkevers zijn. Een stokroossnuitkever. Hoe leuk is dat? En dat betekent natuurlijk dat dat voor heel veel andere plantjes ook geldt, waar ik dat allemaal niet van weet. Er is nog zo veel te ontdekken. Gewoon in je eigen tuin.”
(Bron Groot Bolsward-IJsselmeerkust. Tekst: Richard de Jonge, Foto’s: Jelly Mellema)


